De himalayagier is een roofvogel die behoort tot de groep van de gieren en de grote familie van de sperwerachtigen.  Ze worden ook sneeuwgieren genoemd.  De vogels leven in de hoge bergen van de Himalaya van Pakistan tot China tot op een hoogte van wel zes duizend meter.  Ze hebben een witte, kale kop met een krans van veren rond de hals.  De vliegveren zijn zwart bedekt met bruine veren over de romp.  Als de gier zijn vleugels spreidt dan reikt hij tot 3 meter breed. 

Het zijn echte aaseters die een ganse dag op zoek zijn naar eten.  Kraaien leven vaak in de buurt van deze gieren zodat ze elkaar verwittigen wanneer er iets lekkers te vinden is.  Toch moeten ze wolven en monniksgieren voor laten gaan wanneer die de prooi eerst opmerkten.  Samen aan een prooi eten met de Indische gier en de vale gier lukt wel. 

Deze gieren broeden in kleine groepen langs de kliffen van hoge rotsen.  Vaak worden oude nesten opnieuw gebruikt of nesten van andere roofvogels afgenomen.  Er wordt maar één ei per nest gelegd ten laatste in mei.  Na 6 tot 8 maanden kunnen de jongen het nest al verlaten en vliegen ze uit.  In Tibet worden de dode mensen op een heuvel gelegd en niet begraven.  Zij vinden dat de gieren ook een hapje mogen meepikken en laten de doden door de gieren opeten.