De Amerikaanse zwarte beer is een kleine beer die voorkomt in Noord-Amerika, Alaska en Canada, maar ook verder tot Mexico en zelfs Florida.  De dieren worden ook baribals genoemd.  In het westen zijn de dieren zwart tot kaneelkleurig, maar in het oosten zijn ze volledig zwart.  Er zijn zelfs witte beren en zwarte met een blauwe schijn.  De dieren leven in de bossen in de bergen tot meer dan twee duizend meter hoogte.  Ook aan moerassen vind je deze beren.  Ze houden van planten zoals knoppen, twijgen, noten, bladeren, vruchten en wortels.  Maar ook van vlees zoals vis, insecten, larven en kleine zoogdieren.  Zoals vele beren lusten ze ook honing. 

De berinnen wegen tussen 40 en 180 kilogram.  De mannetjes worden tot 250 kilogram zwaar.  De pels van deze zwarte beer wordt gebruikt voor de helmen van de wachters van de koningin van Engeland.  

Als de zwarte beer rechtop staat, is hij even groot als een volwassen mens, maar niet zo gevaarlijk als hij lijkt.  Hij is minder kwaad als de grizzlybeer.  Hij heeft vooral diepe wouden nodig waarin hij overdag kan schuilen, en veel voedsel om tijdens zijn winterslaap door te komen.  De zwarte beer heeft bijna altijd honger. Hoewel hij een vleeseter is, eet hij meestal planten.  In de lente is hij na zeven maanden winterslaap vrijwel uitgehongerd.  Dan is hij het gevaarlijkst en eet alles wat hij tegenkomt.  Hij doodt dan jonge herten, krabt boomstronken open om insectenlarven te zoeken en rooft vogelnesten leeg.    
Na de paring in de zomer eet hij heel veel om zijn winterslaap voor te bereiden.  Als hij zich in zijn hol terugtrekt, ziet hij er heel dik uit.  Hij overwintert in een holle boom of onder een hoop afgevallen bladeren.  Als er sneeuw ligt, kruipt hij onder een dikke laag sneeuw, onder een omgevallen boom of een grote steen.