De sijs is een zangvogel uit de familie van de vinkachtigen.  Vroeger kwamen ze in de winter even langs, maar de laatste tientallen jaren broeden ze ook in onze streken.  In de winter zie je ze vaak op vetbolletjes in je tuin zitten.  Meestal zitten ze in groepjes samen.  Ze hangen ondersteboven aan de vetbolletjes.  Ze zijn zo groot als een pimpelmees en zijn geelgroen van kleur.  Mannetjes herken je aan de zwarte kruin op de kop.  Ze zijn geelgroen met een zwartgestreepte rug.   De staart is gevorkt en aan de vleugels zit een gele streep.  De vogeltjes worden ongeveer 12 centimeter groot.  Vrouwtjes zijn minder kleurig en hebben geen zwarte kop. 

Je zal deze sijsjes vaak samen zien met putters en barmsijzen.  Ze maken een herkenbaar geluid dat meer op langdurig gekwetter lijkt.  Ze eten zaden van naaldbomen, elzen en berken, maar eten ook insecten.  Als er veel sparrenkegels zijn, dan broeden ze vroeger in de lente.  Het nest bouwen ze van twijgjes, mos en haar.  Ze broeden 11 tot 13 dagen.  Enkel het vrouwtje broedt terwijl het mannetjes voedsel aanbrengt.  In het nest liggen 4 tot 5 eieren.  Ze zijn lichtblauw met fijne roodbruine streepjes. 

Omdat ze op vele plaatsen voorkomen, gaat het vrij goed met de sijs.  Ze zijn waarschijnlijk met 30 tot 70 miljoen vogels.