De zaaguil is een soort uil die ongeveer 20 centimeter groot kan worden.  Als hij zijn vleugels spreidt, komt hij tot 45 centimeter breed.  Je vindt deze vogels in de bossen van Noord-Amerika waar het niet al te koud is.  Bij een indianenstam dacht men vroeger dat de zaaguil en het konijn er samen voor zorgden dat het dag en nacht kon worden.  Hun gezicht is rond en wit met bruin gestreept.  De snavel is donker en de ogen zijn geel.  Ze lijken een beetje op een velduil maar zijn nog wat kleiner.  Het zijn kleine vogels die moeilijk te spotten zijn.  Maar je herkent wel hun geluid dat lijkt op gefluit.  Sommige mensen vinden dat het lijkt op gezaag van een scherp voorwerp op de slijpsteen.  Die geluidjes worden gemaakt bij het zoeken van een vrouwtje. 

De zaaguil heeft een fijn gehoor.  Hiermee kunnen ze precies weten waar de prooi zich ergens bevindt.  Dat maakt het makkelijk om in het donker te jagen.  Ze leven in naaldbossen en loofbossen waarin ze ook hun nest bouwen in een holte of in een oud nest van andere en kleinere roofvogels.  Vaak worden ook de holen van een specht gebruikt.  Ze leggen 5 tot 6 witte eieren die door het vrouwtje worden bebroed.  Het mannetje zorgt voor het voedsel.  Ze eten kleine zoogdieren zoals muizen, woelmuizen, spitsmuizen, mollen, vleermuizen en eekhoorns.  Maar ook kleine vogels worden gepakt zoals zwaluwen, mezen, mussen en rotsduiven.  Zaaguilen aan de kust lusten wel eens schaaldieren, kikkers of waterinsecten. 

Sommige trekken naar het zuiden om te overwinteren.