De kleine trap is een vogel uit de orde van de trappen.  Ze komen voor in het zuiden van Europa en het noorden van Afrika tot Midden-AziŽ.  Je vindt ze op open plaatsen en akkers.  Bij ons komen ze bijna niet meer voor.  De vogels worden 40 tot 45 centimeter groot.  Mannetjes herken je aan hun grijze kop en hun zwart-witte strepen in de hals.  De buik is wit en de rug is bruin.  Vrouwtjes hebben sterkere tekeningen dan de mannetjes.  Deze trappen kunnen snel vliegen, waarbij de vleugels een fluitend geluid maken. 

De mannetjes zetten tijdens het broedseizoen hun kraag op in de hals en spreiden hun staart.  De vleugels hangen dan naar beneden en klapperen hard.  Tegelijk springen ze nog eens in de lucht.  Het nest wordt gemaakt op de grond en is een gewoon kuiltje dat licht bekleed is.  Hierin leggen ze 2 tot 4 bruingroene eieren.  Na drie weken broeden, komen de jongen uit.  Het mannetje bewaakt het nest streng.  Ze leven van sprinkhanen, kevers, zaden, knoppen en planten die ze op de steppen vinden.