De reuzenalk is een zeevogel die is uitgestorven.  Ze zijn de voorouders van onze pinguïns.  Ze kwamen voor in het noorden van de Atlantische Oceaan en zelfs in onze Noordzee.  Aan zijn snavel zat een grote witte vlek.  Ze waren 75 centimeter groot en hadden kleine vleugels waarmee ze niet konden vliegen maar wel goed duiken.  Zijn poten zaten achteraan zodat hij moeilijk kon stappen, maar wel prima kon duiken. 

De vogels raakten niet op de kliffen waar de andere alken op broedden.  Daarom gingen de reuzenalken op zoek naar kale vlakke eilandjes waar ijsberen niet bij konden. Veel van die eilandjes waren er niet en daarom was het voor deze reuzenalk zo moeilijk om te broeden.  Het waren vooral de mensen die de nesten van de alken leeg roofden en de vogels neer knuppelden.  Ze werden opgegeten en hun dons werd gebruikt.  In de buurt van IJsland was er nog één eilandje over, maar dat werd door een vulkaanuitbarsting vernield.  40 vogels konden ontsnappen en vlogen naar een ander eiland.  Maar dat werd al gauw door de Engelsen bezet.  Zij vingen de dieren omdat ze die zo raar vonden.  En voor ze het goed wisten, hadden ze het laatste dier meegenomen.  Je kan de laatste reuzenalken nog zien in enkele musea in een grote bokaal.