De Afrikaanse nimmerzat is een soort ooievaar die tot ruim één meter groot kan worden.  Hun vleugels gespreid reiken tot 150 centimeter.  De snavel is fel geel en wordt tot 25 centimeter lang.  Het verenkleed is wit met een grijzige nek.  Sommige veren hebben een roze schijn aan de toppen.  Als ze vliegen, zie je flinke zwarte strepen op de vleugels.  Bij het begin van de snavel heeft deze nimmerzat een rood gezicht.  Het is kaal en er staan geen veren op.  Ook de poten zijn lichtroze tot rood van kleur. 

Het zijn rustige vogels die de ganse dag in het water kunnen staan op uitkijk naar een passerende prooi.  Ze gaan in het ondiepe water staan, houden hun snavel open en wacht tot er een juiste prooi langs zwemt.  Dan kan hij heel snel zijn en heeft bijna altijd beet.  als de zon te fel op het water schijnt, maakt hij van zijn vleugels een scherm om schaduw op het water te krijgen.  Je ziet ze ook stappend in het water heen en weer wiegend met hun snavel in het water.  Ze leven van kikkers, kleine vissen, kreeftachtigen, kleine zoogdieren en wormen. 

In de lucht zijn ze makkelijk te herkennen en trekken ze vaak samen op met reigers, pelikanen en andere ooievaarsoorten.  Slapen doen ze hoog in een boom naast een meertje of plas.  Het zijn stille vogels die enkel tijdens het paren en broeden lawaaierig kunnen zijn.  Net als de andere ooievaars klepperen ze met hun snavel.  Hun est wordt gemaakt in een boom samen met vele andere nesten van nimmerzats, reigers en aalscholvers.  Daarin leggen ze twee tot drie eieren.  Na 30 dagen broeden komen de jongen uit.