waterral

soort

                                     de waterral
start  >  vogels  >  kraanvogelachtigen  >  rallen  >  waterral                                                               Water Rail - Rallus aquaticus

 

  

De waterral is een soort ral uit de orde van de kraanvogelachtigen.  Ze komen voor in Europa, AziŽ en het noorden van Afrika.  Ze worden ongeveer 25 centimeter groot en hebben een vlakke zijkant om makkelijk door het riet te lopen.  Het verenkleed is bruingrijs met zwarte zijkanten.  Hun poten hebben lange tenen en de staart is kort.  Vooral de snavel is opvallend rood.  De jongen hebben zwarte veren zoals bij alle rallen.  Ze broeden in rietvelden en moerassen met hoge begroeiing.  Hun nest wordt een beetje boven het water gebouwd tussen de planten.  Daarin legt het vrouwtje enkele dofwitte eieren die na 20 dagen broeden uitkomen.  De moeder zal haar nest sterk verdedigen of zelf het ganse nest verhuizen als dat nodig mocht zijn.  Of ze verstopt alle kuikens onder haar vleugels.  Er zijn ook nesten gevonden die gewoon langs de weg waren gebouwd maar steeds met water in de buurt.  Het mannetje kiest de nestplaats, die hij toont aan zijn vrouwtje met gespreide vleugels en staart.  Bij dit vogeldansje wrijven beide dieren hun snavels tegen elkaar alsof ze elkaar aaien.  Het nest is goed verstopt en enkel met kleine weggetjes te vinden.  De eieren zijn wit tot roze met roodbruine vlekken.  Beide ouders broeden de eieren uit.

 

 

Overstromingen en bevriezing van het water doen de waterrallen geen goed.  Vooral nertsen zijn een vijand, omdat die de eieren en jongen stelen.  Maar ook katten en grotere vogels zoals de roerdomp, de oehoe, de velduil, de bosuil, de torenvalk, de adelaar of de blauwe reiger.  Als plassen of moerassen worden droog gelegd, kan dat voor de waterral slecht aflopen.  Toch is het geen bedreigde soort. 

Het geluid dat de vogels maken is erg herkenbaar.  Je herkent vrouwtjes die op hun nest zitten of mannetjes die vrouwtjes lokken.  Het zijn aparte geluiden die de rallen zelf goed herkennen.  De vogels leven van bloedzuigers, wormen, slakken, kleine schaaldieren, spinnen, larven, insecten en ook amfibieŽn en kleine vissen of vogels.  Maar in de herfst lusten ze ook vruchten en zaden.  Als het voedsel vuil is van de modder, dan kan de waterral zijn voedsel wassen. 

In de winter moeten de vogels vooral opletten dat ze niet invriezen in vijvers of plassen.  Je ziet ze dan ook meer op open plaatsen zoals tuinen of kleinere sloten.  Ze kunnen wel zwemmen en ook korte afstanden vliegend afleggen.  Als ze langere afstanden afleggen om naar warmere plaatsen te trekken, botsen ze soms op vuurtorens of hoge elektriciteitsdraden. 

foto's : sd lund