kruisspin

soort

                                              de kruisspin
start  >  geleedpotigen  >  spinachtigen  >  spinnen  >  tangkakigen  >  wielwebspinnen  >  kruisspin                   Araneus diadematus

 

 

De kruisspin is een spin die in ons land vaak voorkomt.  Je ziet ze het meest in hoekjes van tuinen, omdat daar veel schaduw is, weinig wind en ze er makkelijk een web kunnen maken.  De vrouwtjes worden groter dan de mannetjes.  Als de spinnen nog jong zijn, verschillen de mannetjes en wijfjes niet veel van elkaar.  Maar na een tijd groeien de wijfjes harder dan de mannetjes.  In de zomer van hun tweede jaar, als de wijfjes volwassen worden, groeien ze zeer snel. 

Het is een vrij grote spin met op de rug de vorm van een kruis.  De kleur van het dier is wisselend, en is soms gelig tot donkerbruin.   De lengte is ongeveer zo groot als het topje van je vinger.  Het lichaam van de spin is verdeeld in een kopborststuk en een achterlijf.    Aan het kopborststuk zitten 8 poten.  Aan de voorzijde zitten twee paar kaken, met door de bovenkaken een gifbuisje.   Maar de gifklieren liggen in het kopborststuk.  De spin kan je bijten, maar doet dat heel weinig.  Maar als het bijt is het voor mensen wat vervelend, maar niet gevaarlijk.

   

 

Met het web wordt voedsel gevangen.  De spin hangt er gewoonlijk ondersteboven in het midden te wachten.  Ze vangt vooral vliegende insecten en maakt haar web op wat grotere hoogte.  Andere soorten spinnen maken het web dicht bij de grond en eten liefst sprinkhanen.  Het web wordt elke dag opnieuw gesponnen, dit duurt ongeveer 20 minuten.  Vliegt er een prooi in het web dan wordt deze vaak eerst ingesponnen tot een pakketje en later pas uitgezogen.  Het grootste deel van de spinnen sterft bij de eerste nachtvorst en tegen het einde van november zijn zelfs de meeste dieren gestorven.   Behalve enkelen die zich hebben verscholen in schuren of huizen.  

Voor de paring laten mannetjes door trillingen van het web van een vrouwtje weten dat hij geen prooi is.  Na de paring wordt de vader soms opgegeten.  De eitjes worden in herfst afgezet en overwinteren; in de lente komen de jonge spinnetjes tevoorschijn en verspreiden zich.  De jonge kruisspinnen breken met hun eitand hun ei open.  Hun eerste voedsel is hun eigen eidooier.  Hier doen ze ongeveer 7 tot 10 dagen mee. Daarna klimmen ze zo hoog mogelijk en schieten ze uit hun achterlijf een lange draad.  Deze draad wordt door de wind opgepakt en zo komen ze honderden meters verder terecht.   Ze maken een klein webbetje dat op een volwassen wielweb lijkt maar veel kleiner.   Een spin legt 12 keer in zijn hele leven een eipakket.   Na een tijdje zijn dat dus heel veel spinnen.  

De grootste vijand van de spinnen is het weer.  Ze kunnen vooral niet tegen droogte en zware regenval.  Ook de mens is een grote vijand omdat deze spinnen doodt en hun web vernietigt.  De spinnen moeten ook opletten voor sommige wespen en mieren. 

foto's : lucarelli, andré karwath, jurgen howaldt, chfab